AMOSA

Wie mijn homepage opent ziet allereerst een foto boven de pagina, die misschien wat vragen oproept: Wat zijn dat voor ru챦nes?- bijvoorbeeld of: is hij misschien naar Egypte geweest? Of simpelweg: Wat doet die foto hier? Wel, op deze pagina staan er nog meer en wat duidelijker. Het is een maquette in Egyptische stijl die ik in de loop van een aantal jaren heb gebouwd, soms steentje voor steentje, standbeeld voor standbeeld, zuiltrommel voor zuiltrommel, muurschildering na muurschildering en amfoor na amfoor. Wat is het? En waarom is het gemaakt?

Voor de uitleg moet ik jaren terug gaan, naar de tijd dat ik een jaar of zeven, acht was, dus naar 1953-'54. Toen zag ik voor het eerst in een tijdschrift het masker van Toetanchamon. In feite was dat het moment waarop het licht in mijn fantasy-geest werd ontstoken. Ik wilde namelijk ook zoiets. Te hoog gegrepen misschien? Nou, dat valt wel mee, als je tenminste genoegen neemt met goedkoper materiaal en een andere schaal.

In gedachten begon ik, zoals dat kan gaan met een kind een verhaal waarin ik zelf een prins was die met drie schepen (gelijk Columbus) na een lange reis over de oceaan (onze zolder aan de Herebinnensingel nr 14a in Groningen) terechtkwam in een ander land. Dwz ik verhuisde (na het vertrek van mijn broer Cas naar een internaat) van de slaapkamer achter naar de slaapkamer voor, maar dat was natuurlijk veel te proza챦sch. In mijn fantasie werd ik als een verlosser binnengehaald in het land aldaar (het bed en alle kast- en plankoppervlakken aan mijn kant van de kamer; mijn oudste broer Hans sliep aan de andere kant) Ik bevrijdde het land en werd er de koning van, koning Ptaroe en ik noemde het land Petri챘.

Aangezien ik intussen helemaal weg was van het oude Egypte rustte ik mijn zg land uit met allemaal Egyptische zaken. In mijn kindergeest was het allemaal heel echt. Er ontstond een stad met tempels en paleizen, alles ge챦mproviseerd met speelgoedmateriaal, maar in mijn fantasie heel echt Ik maakte van karton een paar piramides en uit kurk sneed in (met hulp van mijn broer Cas een sfinx die de plank boven mijn bed bewaakte, de kern van mijn land. In de stad volgde nu de ene koning de andere op, net als de ene koningin de andere. Ik voorzag ze van namen en een geschiedenis en iedere vorst bouwde op zijn eigen manier aan de stad. Stuk voor stuk stierven die koningen en hun koninginnen natuurlijk en zo begon ik met het maken van hun mummies. Intussen werd ik ouder en niet alleen mijn fantasie ging vooruit, maar ook mijn vaardigheden namen toe.

Rond de mummies, waaronder die eerste van mijzelf, maakte ik sarcofagen en ik voorzag ze van gouden (goudverf of goudpapier) maskers. Uit schoolkrijt en gips sneed ik hun beeltenissen. En intussen gingen mijn broers, ook de jongere twee: Theo en Gerard meedoen. Zo ontstonden Hanzi챘, Casto (dat ik zelf in mijn optiek al had veroverd) Thetri챘 en Getri챘. Theo's land werd in mijn spel de vijand en Gerard sloot zich wijselijk bij mij aan, waardoor mijn land verdubbelde. Theo is overigens naast mijn broer een van mijn beste vrienden, dus maak je geen zorgen.

We hadden op die manier een leuke en fantasierijke jeugd. Op een zeker moment had ik mijn land (dat na die Egyptische periode een hele geschiedenis doorliep, tot aan een ruimtevaart tijdperk toe, waarvoor ik ook raketjes bouwde die echt werden gelanceerd) moeten loslaten in ruil voor volwassenheid, maar rond mijn 18de merkte ik al zoiets mij niet lukte. Vooral het beeld van mijn hoofdstad, die ik de naam AMOSA had gegeven bleef door mijn hoofd spoken, werd jaar na jaar zelfs meer en meer van details voorzien.

Na mijn dertigste besefte ik dat er niets anders op zat dan die stad dan ook maar in het echt te bouwen, maar dan wel zo gedetailleerd mogelijk en in ru챦neuze staat, zodat je overal naar binnen zou kunnen kijken om te zien hoe de koningen, koninginnen, dienaren, priesters en arbeiders op de werkplaatsen leefden. Toch duurde het nog een tijd voor ik uiteindelijk begon. Na een compromis met mezelf waarin ik uitsluitend het koninklijk paleis en de tempel bouwde merkte ik al dat dit niet zou werken. Zo was het weliswaar handzaam, maar absoluut niet interessant. Ik breidde mijn oppervlak een keer of drie uit tot de citadel die het nu geworden is. De feitelijke woonstad, met lange, kronkelige straten en overigens een nog indrukwekkender tempelcomplex moet je er maar bij denken.

Ik begon op een zeker moment met allerlei tussenpauzen aan het ontwerpen van de bouwwerken en de bouw zelf, die zo'n 15 jaar duurde. Mijn uitgangspunt was dat het echt moest zijn, met standbeelden, reli챘fs, muurschilderingen, haarden, vaatwerk e.d. Vooral dat laatste nam veel tijd en werk in beslag. De maat moest natuurlijk piepklein zijn, een halve centimeter stelt twee meter voor, zodat de mensen (die ik er overigens niet in heb gezet; alleen een kaartje met en mannetje en vrouwtje voor de afmetingen) niet groter moeten worden gezien dan een rijstkorrel. Alle amforen die ik heb gemaakt zijn hol, ze hebben twee handvaten, zoals het hoort en de twee kleinste zijn niet groter dan 2 mm. Er ligt er 1 in het badhuis en i in de feestzaal van het bordeel.

Meer dan 60 beeldhouwwerken sieren de stad, die bestaat uit drie grote paleizen met o.a. een troonzaal en feestzalen, badkamers en slaapvertrekken, een aantal villa's van hoogwaardigheidsbekleders: vizier, hogepriester, opperstalmeester, generaal e.d. Er is een stadsherberg en een bordeel in verscheidene prijsklassen, er zijn koninklijke stallen, voorraadschuren, een beeldhouwwerkplaats, een priesteressenklooster, voorraadschuren voor voedsel of rijkdommen, een uitgebreide harem, een priesterwijk een apart ommuurd deel voor de koninklijke werkplaatsen met pottenbakkerijen, smeltovens en een bierbrouwerij en graansilo's met daar omheen de arbeiderswoningen, alle grotere ruimtes voorzien van haarden en voorraadpotten. Ook is er een huis waar de mummificatie plaatsvindt. Er is het oudste koningsgraf ( mijn graf dus) met voorraden en een koningsbeeld. Daarnaast een piramide voor een koningsduo met bijbehorende rijk van beelden voorziene dodentempel.

Aan de achterzijde bevindt zich het garnizoen met manschappenverblijven, officiers kamers (dubbel, met dienarenvertrek) stallen en stalling voor strijdwagens. Dat deel heeft ook een aantal opgravingen, omdat daar ooit een van de oudste paleizen stond Het geheel is ommuurd. De muren voorzien van dubbele kantelen (daar waar de muur nog deels intact is) Er zijn drie poorten: de dubbele hoofdpoort met het beeld van de maangodin aan de voorzijde. Aan de linker zijkant de koningspoort die rechtstreeks naar het plateau voert waarachter zich het koninklijk paleis bevindt en waarop twee sfinxen van een late vorst: Ptamis IV, de toegang bewaken. En achteraan de handelspoort met doorgang naar het garnizoen en met kleine winkeltjes.

De afmetingen van het totaal zijn beperkt. Vanaf de voorkant van de hoofdpoort tot de achtermuur van het garnizoen meet het hele plateau 62 cm. De grootste breedte in van rechts voor naar links achter, en dat meet 68 cm. Voor de sarcofagen en de oudste beelden heb ik een andere, grotere schaal gebruikt. Het grootste standbeeld van wat ik het museum noem, een van de twee beelden van koning Chasatef meet 8,6 cm. Tja, je verzint wel eens wat.

P.S.b